25.7.12

Oma 2

Arie en Reina de Haan

Het bed bij oma thuis, in de achterkamer boven, was een eikenhouten twijfelaar met een zakmatras. Wat er in zat, weet ik niet. Misschien oud kapok. Voordat Wilma en ik er in kropen maakten we twee kuilen, maar zelfs dan rolden we 's nachts tegen elkaar aan. Inslapen was alleen al daarom erg moeilijk. Op een commode stond bovendien een bruine houten klok, die erg hard tikte. Soms zetten wij hem stiekem op de gang, maar daar hing al een koekoeksklok aan de wand en samen maakten ze volgens ons een oorverdovend lawaai. Dat kwam ook omdat de deur van ons altijd op een kier moest staan. In het stopcontact naast de deur zat een nachtlampje: een bolletje met geel licht dat, als je snel op en neer keek, zich splitste in groen en oranje licht.
     Als wij om elf uur nog niet sliepen, kwam oma ons streng toespreken met een tandeloze mond en een haarnetje om haar grote grijze knot. Zij droeg grote witte nachthemden, waarmee ze steevast haar buik en middel bewreef. Later begreep ik dat haar huid jeukte van het strakke korset, dat zij haar leven lang droeg.


     Bij dag en douw, als oma nog lekker lag te slapen en wij geacht werden nog geen heibel te maken, telden we de planken van het plafond. We ontdekten, dat sommige planken ooit een stuk hout waren geweest. Dat kon je zien aan de kwasten. Dan wezen we om de beurt de planken aan, die bij elkaar hoorden. Soms zagen we wel vier planken, die ooit één waren geweest.
     Oma's tuin in de Zocherstraat in Haarlem kan ik me alleen nog in zomertijd herinneren. Tussen de perken met rozen, afgescheiden door een randje opstaande bakstenen, lag grint. Grint met een t, niet met een d, want grint is hard en ketst, een d doet dat teniet. Op het kleine terrasje, in de hoek pal voor het raam stond een grote ton met water. Daarin bewaarde ze haar melk en, alleen voor verjaardagen, de slagroom. Als het zover was mochten wij de room kloppen in een glazen pot met roomgele deksel en een rode slinger, waaraan je draaide. De slagroom was niet voor het gebak, maar voor de advocaatjes, die bij haar buurvrouwen, maar ook mijn moeder, gretig aftrek vonden. Wij kregen dan een minuscuul glaasje advocaat met melk.
     Oma had heel lang grijs haar, dat zij eens in de week kapte. Zij draaide het haar om een vulling in een knot achter op haar hoofd en deed kammetjes aan de zijkant, om het haar bij haar gezicht wat op te bollen. In alle jaren veranderde er niets aan oma. Ze bleef even oud, of jong, ze bleef even stevig, en het gitje dat als kind met een val in haar knie was blijven zitten, zat er toen ze zeventig was nog. Altijd als we haar bezochten en mijn moeder vroeg hoe het met haar ging, antwoordde ze 'best!', haar hele leven lang. En als wij ons bord netjes leeg hadden gegeten, zei ze 'Dat is skoon leeg'.


     Onze lievelings avondmaaltijd was gekookte aardappelen met boterjus, kropsla met slasaus en gekookte eieren. Ik kan er nu nog steeds iedereen blij mee maken, met die omamaaltijd, zoals hij is gaan heten. Een omaboterham is net zo lekker: een witte boterham met boter en witte basterdsuiker, daarop omgedraaid een beschuitje met boter. Als een taartje! Oma's glazen suikerschaaltje staat bij mij in de kast. O wee als het zou breken. Haar suikerlepeltje gebruik ik wel en het rode vest dat ze voor me breidde ligt nog netjes in de kast. Sinds mijn dertigste woon ik in huizen, die lijken op het hare.
     Op ons veertiende jaar moesten wij afscheid nemen van oma. Toen wij met vakantie in Griekenland waren, werd ze in het ziekenhuis opgenomen met terminale darmkanker. Vanuit het ziekenhuis ging ze naar de Janskliniek. Daar zag ik haar nog een paar keer. De laatste keer dronk ze een kopje thee en als altijd hield haar rechterhand haar linker elleboog vast, terwijl ze slokjes nam. Ik vertelde haar nog, dat ze altijd zo dronk. Ze had zich dat nooit gerealiseerd. Een paar dagen later kwam mijn moeder ons 's ochtends op bed vertellen, dat oma was gestorven aan een hartaanval. Wij huilden, maar korte tijd later hadden Wilma en ik de grootste pret samen in bad.
     Op haar crematie waren ook vrienden en vriendinnen van ons aanwezig. Oma had, als we tijdens schoolpauzes haar bezochten, hen altijd met evenveel warmte ontvangen. In die tienerjaren ging het leven snel verder, maar soms zag ik ineens mijn oma staan, op een perron ergens in Italië, of zomaar in een winkel. Als ik aan haar denk, voel ik nog steeds de enorme warmte die ze uitstraalde, voel ik de hardheid van haar korset onder haar zomerjurk en zie ik haar weer lachen.
     De droom die ik vanochtend vroeg had was helaas echt een droom. Ik zou er een moord voor doen, om weer te logeren bij mijn prachtige oma. Ze heette Reina, maar Wilma lijkt het meeste op haar. Wel goed verdeeld, eigenlijk.

No comments:

Post a Comment