12.9.11

Griekenland


Ik ben een Griekofiel eersteklas. Als driejarig meisje kwam ik er voor het eerst, ieder zomer weer, tot begin jaren ´80. In 2004 liet ik mijn dochters Corfu zien, het eiland waar ik altijd heenging met mijn familie. Veel was er niet veranderd, leek op het eerste gezicht. Het toerisme beperkte zich aan de oostkant van het eiland nog steeds tot Moraitika. Daarna gaat de weg naar het zuiden van de kust af en waar je niet kan zwemmen, daar zie je ook nauwelijks een toerist. Pas even voor Kavos, bijna op het zuidpuntje van het eiland, komt de weg weer aan de kust.
        Kavos was het dorpje dat ik als kind leerde kennen als 'derde wereld'. De enige watervoorziening in het dorp was een put en elektriciteit was beperkt aanwezig. Twee restaurantjes aan het strand, Roussos en Florida, bedienden alle toeristen. Toentertijd meestal Grieken, die zich op zondag vol vraten. Onze tenten stonden onder de bomen tussen deze twee horecagelegenheden in. Mijn ouders hadden een hekel aan toeristen en daarom maakte mijn vader altijd reclame voor het prachtige oord met het, behalve op zondag, verlaten strand. Alle kennissen moesten vooral eens langskomen. Ook de backpackers konden hun mond niet houden en dat resulteerde eind jaren '70 in de komst van 'Budget Travel' uit Engeland.
        Wij verhuisden met de tent naar het bos achter de weg en nog later achter de heuvel, steeds verder verwijderd van de pensions, de eindeloos in aanbouw zijnde hotels en de gillende Engelsen, die er toen al genoegen in schepten om hun blote billen uit het raam te laten hangen en te pissen in bierflesjes. Kavos investeerde in Engelsen en wij gingen op zoek naar andere oorden.
        De aanblik van Kavos in 2004 was schokkend. De hotels waren inmiddels afgebouwd. Iedere bewoner van het dorp had er kennelijk een gebouwd, wat de ruimte van maximaal een meter van muur tot muur zal verklaren. Het laatste dorpje op de zuidpunt, Pandatika, was weggevaagd en vervangen door hotels, motels, bungalowparken en privé clubs. Langs de weg vanaf Kavos tot Pandatika stond een aaneenschakeling van eettenten, kroegen, bars en lounge clubs, driewandige bouwvallen, vaak zonder dak. Overal grote televisieschermen met beelden van Engels voetbal, die elkaar probeerden te overstemmen.
        Het ooit brede strand was tot een meter voor de terrassen van Roussos en Florida weggespoeld door de aanleg van een haven enkele kilometers noordelijker. Het enige herkenningspunt, mijn uitgangspunt om de weg naar oude kennissen weer te vinden, was de 'ponte', de steiger waar de visserboten lagen aangemeerd. Het strand was, midden in juli, vrijwel leeg. Christos en Katina, die mij direct herkenden omdat ik zo op mijn moeder lijk, vertelden, dat het maar mager was met het toerisme de laatste jaren. Goed, het zou mijn oord ook niet meer zijn, maar voor die Engelsen was er toch alles wat hun hartje begeerde: drank en herrie. Scooters voor de verhuur, waterfietsen, huurauto's...
        Met kinderen wil je toch eens wat en dus beloofde we een motorboot te huren. Dat ging niet door, want 500 euro voor een uurtje is wat duur. Dan een roeiboot? Nee, 200 euro voor een uurtje gaat dan ook wat ver. Eh, een waterfiets? Ach laat ook maar. 50 euro om zelf te moeten trappen? Dan gaan we toch maar liever zwemmen. Het verbaasde me niets, dat je niemand in een boot of op een waterfiets zag. Na het zwemmen wilden we wat eten en dachten aan een pizza of een sandwich. Nee, geen eten om drie uur 'middags en later ook niet. Niet eens een cakeje of koek. 'Pagotá' opperde een kelner en wees op iets in de verte, dat wij nog net als een ijskar konden herkennen.

        Het kwam me voor, dat Kavos zich behoorlijk uit de markt had geprijsd. Alles was duur. Peperduur. In de klantvrije soevenierswinkels was flutkleding te koop voor prijzen ala Diesel of Mexx en luchtbedjes voor 25 euro of een blikje fris voor 5 euro. Twee kilometer verderop betaalde je een vijfde.
        Toen de eerste berichten over de Griekse economie ons bereikten, moest ik als eerste denken aan het verlaten Kavos, dat voor de toerist niet langer betaalbaar was. Maar ook aan de desintresse van de Grieken, die absoluut niet van zins waren, om ook maar één van die ongebruikte waterfietsen te verhuren, dan maar voor bijvoorbeeld een tientje. Dat is toch meer dan niets, zou je zeggen. Nee, kennelijk haalde die Griek zijn geld ergens anders vandaan. Maar waar vandaan? Ik heb dat nooit begrepen.
        Mijn zus vaart met haar gasten geregeld vanaf de Turkse kust naar Griekse eilanden. Ze spreekt vloeiend Grieks, want ze had ooit iets met een Griek. Ze staat telkens weer versteld van de onbeschofte manier waarop haar gasten worden bediend en de belachelijk prijs voor een gesneden tomaat. Dat leidt vaak tot ruzie. Op Rodos, zo vertelde ze, heeft het horecapersoneel van de overheid een cursus moeten volgen, omdat ze toeristen zo onbeschoft behandelden en iedereen massaal wegbleef.
        Als ik hoor van het Griekse ambtenarenapparaat, dan zie ik weer de overheidsgebouwen in Athene voor me, met eindeloze rijen loketten en mannen in hemdsmouwen, die je voortdurend van het ene naar het andere loket sturen voor een stempel. De verblijfsvergunning heb ik nooit gekregen, maar zonder die vergunning ging het net zo goed.
        Griekenland is een prachtig land en de Grieken waren ooit aardiger en gezelliger dan welke Europeaan ook. Waar is het verkeerd gegaan?

No comments:

Post a Comment