11.10.11

De reiger, die geniepig op ons loert


Mijn heg bestond uit bomen. Gesnoeide, getopte bomen. Niets levends is sterker dan een boom. Er waren maar twee gaten in de heg. Een ervan werd opgevuld door een deur, die op slot zat. Het ander door een hekje. Voor mij een te klein hekje. Vanuit mijn witte stoel keek ik er voortdurend naar en maakte plannen, om het te vervangen voor een deur, net als in het andere gat. Dat zou van de gemeente niet mogen en dus dacht ik na over een alternatief, dat aan verordeningen zou voldoen. Het hoefde maar twee meter hoog te zijn. Lang niet zo hoog als de heg.

        Geluiden hield hij niet tegen, maar wel alle zicht. Op dat gat boven het hekje na dan. Daar passeerden mensen gedurende een fractie van een seconde, maar ook mensen met een trager tred. Soms een kind, dat over het hekje keek, met een vader of moeder die het mee trachtte te lokken met lieve woorden, of een ongeduldige ouder die geen woorden vuil maakte en het kind gewoon meetrok. Alleen de postbode, de krantenbezorger, de deurwaarder en de collectanten kwamen door het hekje. Voor de postbode en de krant had ik een oplossing. Een nieuwe postbus direct ernaast. Mooie postbussen zijn duur, maar dat maakte niet uit.
        Hoe ik collectanten en deurwaarders moest weren, dat wist ik niet. Vitrage is lelijk, maar er kwam vitrage. Dan kon ik zien, wie er kwam, wie het hekje opende, maar zij konden mij niet zien. De heg gaf me rust. Hij beschermde me. Hij hield de wereld buiten, op dat ene gat na, met dat hekje. Op een dag had ik de oplossing gevonden. Ik zou een deur van gaas neerzetten en dat vullen met nepplanten. Niemand zou het verschil zien en groen, dat mag zo hoog worden als je maar wilt. Ik heb het plan nooit uitgevoerd. Het mocht niet van mijn dochter. Waarom ik geen muur metselde?
        Drie jaar geleden verliet ik het huis met de heg, maar sinds een paar weken wil ik mijn heg weer terug. Ik mis de veiligheid van mijn bomen, de scheiding tussen mij en de rest van de wereld. De heg was een groene façade. Tussen het oppervlakkig groen van de naalden aan weerskanten bevond zich het dode bos. Dat smalle bos was minstens dertig meter lang. In dat bos leefden spinnen, rupsen, kevertjes en kleine diertjes waarvan ik de naam niet ken. Onder de door de wind aangevoerde oude bladeren kon je een zwarte pad verwachten. De wirwar aan stammen en takken maakten het onbegaanbaar, behalve voor mij. Ik wist hoe ik naar binnen kon, waar het dode bos me toeliet. De scherpe takken deden me niets. Iedere ander hadden ze geschaafd en gesneden, misschien wel de ogen uitgestoken. Maar mij niet.
        Ik had daar kunnen sterven in volledige vrede. Als deel van een boom, als voeding voor haar wortels. Ik genoot van de rottende lucht van de naalden en bladeren in de vochtige aarde. Even met je hand erdoor en iedere korrel kwam tot leven. Een mier die zijn pad weer zocht of witte kruimels die pootjes bleken te hebben. Een oranje sliertje van twee centimeter, dat behendig over voor hem enorme obstakels kroop. Een minimaatschappij, die geen weet had van leven of dood, maar op instinct door ploeterde.

        Ik kan niet meer terug naar mijn bos. Het is omgezaagd. De dodelijke werking van een kettingzaag is sterker dan iedere boom. De nette rekken met klimop zijn van een nieuwe eigenaar. Nu moet ik nieuwe bomen planten, een wal die afkets en die terugslaat als het moet, zolang als het moet. Om ons tweeën te beschermen, want mijn man maakt nu deel van mij uit. Hij kan nog niet onzichtbaar worden, zoals ik dat heb geleerd. Wij wachten op een nieuwe lente. Als de reiger, die geniepig op ons loert, weer naar elders gaat.     

No comments:

Post a Comment