2.2.13

De parasol


In het voorjaar van 2008 ging Ernst met 'zijn' halfjaar oude hond Ventje naar Koblenz. Hij had me verteld over de enorme Gerard en zijn vrouw Anne. 'Hele lieve mensen, hij wat stug maar met een heel klein hart en zij de zorgzaamheid zelve'. Hij vertelde hoe lang ze elkaar al kenden, wat ze allemaal samen gedaan hadden en hoe ze bijzonder goed om konden met de Hefenweisse. Het verhaal van de verplaatste wc hoorde ik dikwijls, met steeds weer nieuwe toevoegingen. Wat vast staat is dat Gerard niet naar de pot ging, maar de pot naar zich toe haalde om het witbier te lozen. Ernst merkte wel, dat er iets niet klopte, maar mikte toch maar in de afvoerloze pot.
   Een paar maanden later ging ik voor het eerst mee naar Koblenz. Ik trof een enorme man met een flinke bierbuik en een kleine, maar stevige vrouw. We zoenden, alsof ik ze al jaren kende. Ik haalde het opgeborgen Duits uit mijn tenen tevoorschijn en Anne voegde aan iedere zin halsstarrig twee Nederlandse woorden toe, ook al maakte dat de conversatie soms juist moeilijker. Mijn naam heeft ze nooit goed uitgesproken, dat bleef altijd Rainja. Koddig. Trouw ritueel was het eten bij de Griek 'om de hoek' op de eerste avond, steevast met de ouzo vooraf, het bier onderwijl en weer ouzo als dessert. Ernst is met de jaren minder gaan drinken en trok het tempo van Gerard niet meer. In ieder geval ging hij tijdens mijn eerste bezoek zwaaiend alleen naar huis en leegde zijn maag in de toiletpot, die gelukkig op zijn plaats stond.


   Het echtpaar Keuls bracht het merendeel van hun leven buiten door. Op het kleine, verhoogde terras tussen keuken en woonkamer stonden een houten tafel, een bank en twee stoelen. De linkerstoel was van Gerard, de rechter van Anne. Zij rookten als ketters, maar niet binnen en dus zaten ze altijd buiten, onder een parasol. Wat spetters deerden niet, maar als het regende moesten we wel naar binnen. Alleen als wij er waren, mocht er ook binnen worden gerookt. Soms was het koud, maar dan waren en jassen een vesten zat om ons warm te houden. Aan die tafel werd alles besproken. De wereldpolitiek, de Duitse politiek, de Nederlandse, het klimaat, reizen, het verleden, boeken, muziek en films, de opwarming van de aarde, Avaaz, de wereldwinkel, eten en drinken, de kinderen, ziekten en uiteindelijk ook de dood.


   Telkens als we terug naar Nederland reden, bespraken we alweer wanneer het volgende geschikte moment zich voor zou doen om Koblenz te bezoeken. Eigenlijk kon het nooit snel genoeg. Voor mij waren Anne en Gerard het eerste bevriende 'stel' in mijn leven. In mijn leven vóór Ernst bestond dat amper. Mijn ex en ik hadden geen gezamenlijk sociaal leven. Ook daarom vond ik het heerlijk om bij ze te zijn. Gerard zwengelde de serieuze gesprekken aan en Anne en ik keuvelden veel over de dagelijkse zaken, over de kinderen en over gevoelens.
   Koblenz bracht slechts twee problemen: zitten en koffie. Het echtpaar Keuls had er een handje van om de slechtst mogelijke stoelen en banken aan te schaffen. Overal waar je zat, zat je rottig. De kussentjes buiten waren te dun, de stoelen binnen te hard en de banken te ondiep. Hoe ze dat hun leven lang uithielden, dat is me een wonder. Ernst nam regelmatig de hele (kleine) driezitsbank in beslag, om zijn rug te ontzien. En als espressodrinker heb ik nooit kunnen wennen aan die vreselijke senseokoffie die ze maakten. Uiteindelijk had ik wel een oplossing gevonden. Ik zette een halve kop senseo met twee pads. Dat benaderde een beetje mijn koffiegevoel.


   Gerard was, met drie anderen, getuige bij ons huwelijk. Twee jaar later zaten wij aan de familietafel tijdens het huwelijk van zijn zoon. Een paar maanden later namen we afscheid van Anne, een aantal dagen voor ze overleed. Afgelopen kerst zaten Gerard en zijn dochter bij ons aan het kerstdiner en in maart zouden we vast weer richting Koblenz zijn gereden.


   Na de begrafenis van de urn zijn we met een man of twintig wat gaan eten in het favoriete restaurant van Gerard en Anne. Daarna haalden we onze spullen op in het huurhuis, waar eerdaags iemand anders zal wonen. Op het terras is iets niet zoals het hoort. Ineens realiseer ik het me, de grote groene parasol is weg. Ach ja, iemand zal hem meegenomen hebben, want alles wordt verdeeld, denk ik nog met spijt. In de auto vertelt Ernst, dat de parasol is weggewaaid. Het ding stond er al vijf jaar en uitgerekend die middag waait hij weg. Het is alsof Gerard wilde zeggen, dat het wel welletjes was. Zoiets als 'Jetzt allen weg, das Fest ist vorbei, was war ist nicht mehr. Schluss!'

'Der Aberglaube ist die Poesie des Lebens.'
(Goethe)

No comments:

Post a Comment